Kroniek van De Jonge Scheuten

1870: In de herberg van Karel De Bie is er al sprake van een eerste zangvereniging in Wuustwezel.

1874: Het is in de herberg van Karel De Bie, dat er na veel heen en weer gepraat een eerste vergadering op gang wordt gebracht en dit op 22 oktober, tot het stichten ener fanfaremaatschappij. Het voorzitterschap wordt opgedragen aan de toenmalige burgemeester Jan Jozef Hens. Het erevoorzitterschap aan de weledele Graaf Duchâtel. Maar... deze fanfare komt echter niet tot stand! Het overlijden van burgemeester J.J. Hens op 28 februari 1875 heeft daar veel toe bijgedragen.

1875: Voor onze verdere geschiedenis moeten we nu even in de annalen van onze bevriende Harmonie De Heidegalm kijken. Kroniekschrijver Staf Goris schreef het zo...

De Heidegalm

De mensen van Wezel hebben door de eeuwen heen goed over de baan gekunnen met het volk van Loenhout. Görten en pezerikken. Jongens zoeken er meisjes. Door de band zonder pikantigheid. En omgekeerd. Daar zijn weg en weer al wat levenscontracten afgesloten. De doorsnee Loenhoutenaar vormt wellicht de meest preutse perel aan de Dietse kroon. Hij praalt vrijpostig op eigen ondernemingen en prestaties. Hij wil weten wat hij is en pruttelt niet om zijn pezerik zijn. Hij gaat trots op mannen en vrouwen in bedrijf en cultuur. Hij dweept in en om personencultus in eigen, landelijke heimat. Een optimistische mentaliteit in gezonde pretentie gedoopt. Naar Frans allooi. Het muzikaal gevoel, met ongewone prestatiedwang in 't vizier, zindert van oudsher in hart en gemoed van dat volk. Het doelmatige streven naar instrumentale notenverklanking, kreeg gemeenschappelijk vorm rond 1875. De gestudeerde Van Nueten hadden er niet weinig deugd om. Muziek in de straat. Een man of tien. Zij speelden een plezant airke en 't klonk potdorie schoon. Vooraan de pioniers met blikken fluiten. Daar achter enkele jonge gasten, elk het teutje van een stenen potteke tussen de lippen. Een ocarina. Van eigen. Een blaasinstrument van terracotta. Uit de negen toongaten noenden weke fluitklanken. De mannen hebben er verstand van, boften de Van Nueten, Miel en Mon. Daar zit harmonie in. Ze moeten in Loenhout maar rap een fanfare oprichten. Dat kunnen ze in Loenhout zo goed als in Brecht of neimport waar. 't spel zat op de wagen en 't voorstel van Miele liep als een vuurtje rond. Het initiatief werd gesteund. De wagen geraakte aan 't rollen dank vooral aan 't vonkend vuur der Boudewijnsmannen en… Henri Peeters.




Op zondag 14 april 1878 troepten de baanbrekers te gare op de hoek van de Brechtse steenweg “In de kievit“ (Herberg). Van kabaal of geneuk geen spoor. Van meet af roerende eensgezindheid. Een beetje stof waaide er wel om 't kind een naam te geven. Het voorstel de “Notenkrakers“ werd verworpen. Er kwam iemand af met “Miauwende katten“. Die ging nogal trein. Meester Warmoes hakte de knoop beslissend door “De Heidegalm”. Compleet met eenparigheid van stemmen, zetelde schoolmeester Jan Warmoes als voorzitter, Lewie Boudewijns als ondervoorzitter en Leon Gallée als maatslager.

Nonkel Gust

Te Loenhout moest er een harmonie voor de proppen komen. Met of tegen de goedkeuring en zegen van de herder of parochieherderinnekes, daar was geen tegenhouden aan. Blauw toetemannen wreef men in de schoenen van kopstukken en muzikanten van de Heidegalm. Achter hoeken en kantjes scheve gezichten en kwaad bloed, maar het bleef niet bij simpel liberaal verwijt. Duistere vergeldingen traden in de praktijk. Wie niet horen wil moet voelen en … buiten! Net als eender wie, legde Nonkel Gust ieder maand zijn zwart pakje af in de biechtstoel. Pastoor Jacobs stelde hem de prikkelende vraag: “In welke maatschappij bent gij mijn beste vriend?” In de Heidegalm eerwaarde. En op slag schoof het schuifke knak dicht vóór zijn neus. Ge moet nu niet denken, dat Gust nadien achter zijn belijdenis definitief een kruisje zette. Zeven jaar aan een stuk trapte hij later naar de bruin paters van de Ossenmarkt in de stad, met heel zijn hart bloot. Ik vraag vergiffenis voor mijn zonden. En pater Innocentius tekende telkens het kwijtscheldende gebaar: de absolve, ga in vrede. Als gij meent, dat er in die dagen, op de Ossenmarkt, maar één zondaar in de biechtstoel kroop, dan klopt ge er ver naast. Een heel rij van Loenhout, met een verlengstuk van boetvaardige mannen uit de omtrek. Onze vader was ook bij de klap van de zweep. Juist als Nonkel Gust heeft hij de Heidegalm helpen oprichten in 1878.

1879: In de omliggende gemeenten waren er al verschillende harmonies en fanfares, dus er moest een fanfare komen in Wezel, en dat dit verliep met veel moeilijkheden, zowel praktische als financiële, zul je wel begrijpen. Op 20 april 1879 is de stichtingsvergadering. Er zijn 17 ereleden en 10 werkende leden aanwezig. Een reglement van 24 artikelen wordt opgesteld. Men krijgt meer aanhang, maar er is te weinig geld! Er moeten instrumenten komen. Henri Peeters (postbode van beroep) komt geregeld op het kasteel van de heer Koch te Gooreind en vertelt zijn moeilijkheden. Deze zegt hem: ga naar Lier man, en bij de heer Devriendt, muziekhandelaar daar kun je een keuze maken. Zogezegd zogedaan. Daar staat een grosse caisse en een kleine trom, om van te watertanden. Neem je ze mee mannen of moeten we ze opsturen? Ja ja... maar er is geen geld. Geen nood, alles is al betaald door Kasteelheer Jaak Koch, antwoordt de heer Devriendt. Om van een verrassing te spreken!! Op 20 juli 1879 komt de tweede algemene vergadering. Aanwezige ereleden zijn: A.J. Renier, J.Aerden, P.Aerden, P.J.Vervoort, J.Bussers, J.Floren, K.De Bie, J.De Bie, L.Verstraelen, P.Van Thielen, J.Hertoghs, P.J.Leenaerts, E.Tuerlinckx, J.Hendrickx, J.Van Looveren, J.Danckers en F. Daemen en de werkende leden waren Jan Cools, Frans Ophoff, Jan Verstraelen, Henri Peeters, Charles Hertoghs, Jaak Moonen, Charles Kenis, Charles Anthonissen, Guillaume Ophoff en Jaak Van Hooydonck.

Hoe Staf Goris de stichting verwoordelijkt wil ik jullie toch niet onthouden

De Heidegalm heeft Henri Peeters zijn hart verrukt. Hij ligt er ook midden 't bed en de toonbalken mee onder de lakens. Hij droomt van muziek en … toeterend door het dorp te trekken. Door lenig en raak toetsspel op de pistons, een klinkende solo uit zijn blinkende tuba te blazen. Maar, een toeteman die geen mi uit een sol kan onderscheiden op zijn partie of maar half zijn gat… zo een krabbekoker in geen geval. Hij op zijn eentje alle weken naar Loenhout om gammekens te leren van Léon Gallée. Een dans in de wolken. Alleen is maar alleen. Jan Cool omgepraat. Frans Ophoff opgestookt. En voortaan met gedrieën over de beek. Do re mi heel de winter door. Solsleutels, kruisen en b-mols, contre-do forte's en piano's, majeur en mineur. En achtereen het spiegelglad instrument in de vuist en de eerste geperste windstoten door het ammesuur. Het vuur der muziekliefde laait in deze dapperen, maar… dat sjouwen steekt stokken in de wielen. Bij onguur getij aan weer en wind blootgesteld. In de stikdonkere nacht door de smeltende sneeuw gekwatst. Bijtende vorst. Standvastig die spookbeelden aan 't vonderke met hun akelig en schrikwekkende gieren. Nat en begaaid… Zij krijgen de haak in de keel en stoppen. Tweede Paasdag. In “De Luchtbal“, steken zij de koppen bijeen. Wat Loenhout kan kunnen wij ook. Wij hebben zoveel recht van bestaan als “De ware Eendracht“ van Brecht,”De Noorderzonen“ van Westmalle en “De Eendracht“ van Meer. Klaar als de zon. Dat we daar niet vroeger aan gedacht hebben. De kogel is meteen door de kerk en de stichting gebeurt op zondag 20 april 1879. Over de geschikte benaming echter moet nog een lansje gebroken worden. Nu was het in die dagen zo gesteld, dat politiek onkruid het normale gemeenschapsleven vertroebelt. De liberalen steken dreigend hun voelhorens uit. Hun diplomatiek gevleugelde slogans omsingelt de gedachtegang van de man in de straat. Los van alle ingepompte dwang en vrank uit het slaafse spoor van zoete betovering. Vrij en onafhankelijk! Godsdienst is opium voor het volk. Laat u door niemand binden! Zeg ongemaskerd uw gedacht en handel naar eigen goeddunken. Wacht u van kerkuilen en pilaarbijters! Luister slechts naar ons, al het ander is leugen. Vlucht schijnheiligaards! Doe slechts wat wij u vragen en stem liberaal. En zo gebeurt het in 1879. Met het ellendig feit van de schoolstrijd. De slopende naweeën. Bitter en pijnlijk. Niet verrassend, dat de kerk die blauwe handschoen niet strijdloos duldt. De parochieherders treden hardnekkig in 't harnas tegen alle openbare activiteiten, die niet rechtstreeks aanleunen bij onbesproken katholieke organisatoren. De fanfare ook in diskrediet. Kapelaan Lemmens neemt geen blad voor de mond. Van op de preekstoel verklaart hij ondubbelzinnig. In Wezel is een muziekmaatschappij tot stand gekomen. Ze huldigt dezelfde liberale strekking als de voorgangers uit de naaste omgeving. Een boom met volgroeide stronk en gewaai. Brecht is de stam, Loenhout de takken en Wezel de scheuten. De Scheuten! Wat hoeft er nog meer? Zonder commentaar looft de leiding der pas ontloken fanfare van Wezel de schitterende vindingrijkheid van Eerwaarde Heer Alfons Lemmens. De rechte naam op de rechte plaats bleef behouden. De Jonge Scheuten. Nog immer scheppen zij leven en lust in processie, stoeten en particuliere huldegroeten. Peerjan Vervoort uit het selderstraatje en hovenier bij Duchâtel verkiest men tot eerste voorzitter. Een mandaat van korte duur. Immers, hij moet weg op het kasteel. In zijn plaats zetelde dan Meester Tuerlinckx. De maatstaf bezigt Léon Gallée tegen 2 Fr. per les. Reis inbegrepen. Een koppel honden voor het wagentje gespannen. De sjef ment zelf de teugels en wagentje ratelt dag aan dag over de knotsende keikoppen. Vanuit Brecht, om beurt naar Westmalle, Meer, Loenhout en Wuustwezel. In feite regeert Henri Peeters over heel de instelling. De strijd om het bestaan, om groei en bloei, luwt nooit werkelijk. Maar manmoedig trotseert hij elke tegenstanding en dwarsdrijverij. Henri Peeters onthoud zich van alle wulpse overdadigheid, kent geen verslapping in daadkracht, daar waar het zijn harmonie interesseert. Hij munt uit in nauwgezetheid, onverdeelbare trouw en schranderheid van geest.

Uit “ kerk en kasteel “ van J. Cuyvers.

Indien U verder geïnteresseerd bent in in onze geschiedenis kan U steeds bij ons secretariaat terecht om de “Kroniek van De Jonge Scheuten” te lezen. Deze is samengesteld door Jan Beyers uit verschillende bronnen en gaat tot in het jaar 2001.